top of page
Zoeken
  • tomdicke

AM SEE

Mijn vriend Gijs Jan geeft een maand lang les aan de universiteit van Konstanz, Zuid-Duitsland. Hij heeft allerlei mensen gevraagd om een paar dagen langs te komen, en nu ben ik aan de beurt. Konstanz is een kleine stad, het heeft zo’n 80.000 inwoners. Bijna een kwart van hen is student. Het ligt aan de Bodensee, je weet wel, dat grote meer helemaal onderaan Duitsland. Als je vanuit het station een paar honderd meter verder loopt sta je al in Zwitserland.


Op de eerste hele dag maak ik een flinke wandeling. In m’n eentje, want GJ is college aan het geven. Vanaf de binnenstad ben ik helemaal langs het water gelopen tot aan Staad, waar ponten vertrekken naar Meersburg, aan de overkant. Omdat het zoveel geregend heeft staat het water erg hoog. Delen van voetpaden en straten zijn afgesloten, en bankjes die normaal gesproken ruimschoots op de kant staan, bevinden zich nu enkele centimeters diep in het meer. Onderweg kom ik langs flats voor gepensioneerden, luxueuze huizen, zonneweides met bruinende of spelende mensen erop en allerlei soorten zwemmers. Een groepje jongens plonst geestdriftig het meer in, maar de helft komt met gierende banden tot stilstand aan de waterlijn of keert zelfs schoorvoetend om. Koud!


Bij Staad ga ik even zitten om te schrijven. De pont die net binnen is komen varen heeft helemaal doorzichtige wanden, zodat je tijdens de overtocht mooi om je heen kunt kijken. Het is prachtig weer, je ziet op het hele meer de witte driehoeken van zeilbootjes. Er liggen er hier in de haven nog veel meer, de zeilen neer, zachtjes wiegend, met kleine tinkelende geluidjes van de kabels tegen de metalen masten. Bovenop elke mast prijkt een windwijzer, een klein ijl pijltje dat uiteraard bij alle boten dezelfde kant op wijst. Sommige boten hebben daarnaast ook nog een anemometer erop, waarvan de drie kommetjes vrolijk ronddraaien.


Aan de overkant is een fabriek waar zeppelins worden gemaakt. Ze zijn er een aan het testen, gedurende de hele wandeling zie ik af en toe ergens een laag vliegende witte sigaar, zacht zoemend als hij dichtbij is, of als een klein stil wolkje drijvend boven de graslanden aan de overkant. Aan de verste kant van het meer, misschien wel zestig kilometer verder, rijzen grote bergen op, de Oostenrijkse alpen. Ik ben helaas niet lang genoeg hier om erheen te gaan; zestig kilometer is niet ver, maar elke afstand die je in dit landschap aflegt kost je ruim twee keer zoveel extra tijd als elders.


Overal zijn hier vogels. In het water bij het stadscentrum huizen tientallen tam geworden zwanen, die telkens vorsend naderbij komen, op jacht naar eten, en weer waardig wegdrijven als ze zien dat ik dat niet bij me heb. Ook de mussenpopulatie is groot. Vanochtend dronken we een kop koffie op het terras van Das Voglhaus. De mensen van het tafeltje naast ons hadden een flink stuk van hun taart niet opgegeten. Een mus had dat gezien en kwam eropaf, brutaal plaatsnemend op het schoteltje om dan met volle snavel gauw weer ergens anders heen te vliegen. In het park dat aan het centrum grenst komen we helaas ook langs een paar kooien van de “Vögelliebhaberverein Konstanz” waar enkele lawaaiige parkieten en twee nogal treurige beo’s bij elkaar zitten in kleine hokken. Eén beo zegt uit zichzelf “Hallo!” met een Duits accent, de ander schreeuwt en piept alleen maar.


De ochtenden en avonden brengen Gijs Jan en ik samen door, met uit eten gaan en een beetje flaneren door de stad. Het is allemaal wel pittoresk maar niet zo groot, daar ben je na twee dagen ook wel een beetje op uitgekeken. Niettemin zijn er leuke dingen te zien: de Münster, de grootste kerk van de stad, de mooie natuur rondom, al het verkeer aan het water, bijna geen winkels van bekende ketens en dus wel veel kleine winkeltjes die hun eigen (zij het wat kneuterige) karakter hebben. En het is toch vrij levendig vanwege de grote hoeveelheid jonge mensen op straat. Ikzelf houd veel van het Voglhaus, als ik hier zou wonen was dat de plek waar ik zeker enkele malen per week te vinden zou zijn met een lekkere kop koffie.


Op de tweede hele dag leen ik GJ’s fiets. Bij het oppikken ervan komt een man ons tegemoet. Ik groet hem, “hallo”! Hij kijkt me een seconde indringend aan, en bromt dan “Servus”. Oh ja, dat zeggen ze hier. Met de fiets rijd ik naar Reichenau. Dat blijkt een prachtig, idyllisch eiland te zijn in de Untersee, met het vasteland verbonden door een dam waar een weg overheen gaat. Op het hele eiland staan boerderijen, vakantiehuizen, kerkjes en hier en daar een camping, maar het voelt niet overbevolkt of overtoeristisch. Er wordt heel wat groente verbouwd, in kassen of op het land; ik heb courgettes gezien (nog met de gele bloemen eraan), aardappelen, zonnebloemen, tomaten, uien en nog van alles meer wat ik niet direct kan thuisbrengen. Ik herinnerde me toen ook weer dat ik bij het restaurant gisteren Knödelstückchen “mit Reichenauer Gemüse” had gegeten.


Vanaf de zuidkant van het eiland vaart elke drie kwartier een klein bootje, naar Mannenbach op de andere oever. Daar is het Zwitserland. Juist als ik aan kom rijden wil de eigenaar de loopplank intrekken, ik ben precies op tijd. Terwijl ik mijn fiets tegen de reling zet haalt de man de plank alsnog naar binnen, maar dan komt hijgend een echtpaar met kinderwagen aangehold en kan hij de touwen wéér vastmaken. Ze mogen nog mee, dan meren we af. De boot vaart op zonne-energie, het hele dak ligt vol met panelen. De vrouw die aan het roer staat heeft een excentriek uiterlijk, ze lijkt wel wat op Professor Trelawney uit Harry Potter: lang, roodblond krullend haar, een rond brilletje en een blauwe jurk die tot de grond komt. Tijdens de vaart zijn er vrolijke gesprekken over van alles. Een Duitse fietser naast me heeft allemaal gaten in z’n pet geknipt, voor de koelte, en iedereen moet lachen als de eigenaar van de boot zich voorstelt dat z’n haar door al die gaten heen piept. Het kleine meisje Emilie, in de kinderwagen, valt halverwege voorover in slaap, zich niet bewust van het gezellige moment of van het varen überhaupt.


Op de terugweg door Zwitserland kom ik nog door het dorp Gottlieben. Hier is het warm en stil, maar vijf jongetjes spelen luidruchtig voetbal op het pleintje voor de kerk. Hun vrolijke geroep kaatst tegen de oude gevels op. Even verder zitten drie oudere mensen in een deuropening te praten onder een parasol. Binnen is net een kist zichtbaar waar ijsjes in zitten. Het dorp bestaat uit maar een paar straten, maar bevat wel een paar heel mooie vakwerkpanden. Omdat ik nu weet hoe het moet groet ik de tegemoetkomende fietsers: “Servus!” en voel me heel wat.


Dan ineens ben ik bij een grenspost. De straat is overkapt met een beige, tankstationachtig dak. Er is een slagboom die omhoog staat, maar er is niemand te zien. Geen controle, geen mannen met petten, dat is allemaal allang voorbij. Het ene moment ben ik in Zwitserland, een minuut later rijd ik weer door de straten van Konstanz, op weg naar nog twee dagen gezelligheid.


Als ik later aan Gijs Jan vertel dat ik de hele tijd “Servus” heb gezegd moet hij lachen. “In Zwitserland zeggen ze Gruezi”.


(geschreven in 2016)

23 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

FLAG-RANT

REMISE

Post: Blog2_Post
bottom of page