top of page

HARTGRONDIG

  • tomdicke
  • 22 feb
  • 5 minuten om te lezen

Ik ben seculier opgevoed. Tot mijn zevende of zo dacht ik dat Jezus alleen maar iets was waarmee je kon vloeken (en wat je dus niet moest zeggen). Mijn vader kon het er overigens niettemin met kracht uitgooien, net als het ‘godsamme!’ dat bij mijn moeder uit haar tenen kwam. Nog hardgrondiger vloekte mijn opa Jacques, of Sjaak, zoals de meeste mensen zeiden. Niemand die ik ken kon zó oprecht en de profundis GODVERDOMME! roepen als opa. Soms werkte dat dan juist op mijn lachspieren, wat het humeur van m’n opa niet per se ten goede kwam. Hoewel dat vloeken een eigenschap is die ik me heel levendig herinner, is het niet eerlijk om mijn opa daarmee af te schilderen. Ja, z’n opwinding kon komisch zijn, maar het was een bijzondere man die veel in huis had en me ook veel heeft meegegeven, ook al ging dat misschien niet altijd rechtstreeks.


Toen ik geboren werd was hij zestig, en acht jaar later hadden hij en oma Tini de perfecte leeftijd om bij te logeren. Net gepensioneerd, nog levenskrachtig, en met heel veel vrije tijd. Ik vond het altijd heerlijk om naar ze toe te gaan, alleen al omdat je dan lang in de trein moest zitten. Eenmaal in Amsterdam ging ik het liefst met de tram, dan zag je de hele stad, die ik toen nog haast niet kende. Meestal namen we in plaats daarvan de metro, dat was eigenlijk ook wel leuk, al had je dan geen uitzicht. Destijds waren de tunnels versierd met abstracte kunst in de vorm van langzaam stijgende en dalende strepen in verschillende kleuren, daar moest ik altijd naar kijken. Bij het Waterlooplein stapten we uit en liepen langs de platliggende bomen bij de Hortus naar het mooie oude huis van mijn opa en oma, tegenover het parkje aan de Plantage Muidergracht.


Opa en oma woonden op de eerste verdieping, boven een voormalige garage. Achter hun voordeur zat dus meteen een trap, wat ik als kind heel eigenaardig vond. Boven ging je door een tweede deur, waarna de geur van sigarettenrook je in de ogen prikte. Oude rook, overal ingetrokken, vermengd met verse. De zeldzame keer dat ik een huis binnen stap waar veel gerookt wordt moet ik onvermijdelijk aan mijn opa en oma denken. Ze rookten allebei. En veel. Nu vind ik het vooral smerig, maar oude rook die in een boek getrokken is heeft door de herinneringen aan mijn grootouders stiekem ook iets heel lekkers.


Binnen waren er kastenwanden vol boeken, vooral oude boeken ook weer. Hoewel ik de titels fascinerend vond (ik weet nog De Walgvogel, en allemaal dingen die een zekere Agatha Christie leek mee te maken) was het ook saai, want er stond niks tussen wat ik graag wilde lezen. Later vond ik af en toe wel iets interessants, zoals een talkshowboek van Wim de Bie, of een grappig taalboek over malapropismen. Als ik niks kon vinden pakte ik ook weleens het dikke Amsterdamse telefoonboek. Dan ging ik gekke namen zoeken - er was bijvoorbeeld iemand die meneer De Vulkaan heette, hoewel ik nu denk dat dat misschien eerder een winkeltje was of zo.


Opa las inderdaad graag, maar boeken zag ik hem eigenlijk haast nooit lezen. Je kon hem uittekenen achter de krant, die hij van voor tot achter uitlas. Zo nu en dan hoorde je plotseling een ‘ghehe’ achter het papier vandaan komen, waarna hij tegen oma riep wat hij voor geks had gelezen. Soms wond hij zich ook op, dan begon hij met: “Dit is ook weer je reinste waanzin! Hier, moet je horen:… “ waarna een samenvatting in eigen woorden volgde van het ergerniswekkende bericht, gelardeerd met smalend geciteerde zinnen en zo nu en dan met de rug van z’n hand een mep tegen het papier. Als hij er al te lang over doorging zei oma soms: “Nou kom op opa, niet zo mopperen”.


Verder was het voor mij bijzonder dat opa autoreed. Mijn beide ouders deden dat niet, die hadden geen rijbewijs, dus ieder ritje in de Lada van opa Jacques was een uitstapje voor me. Soms moesten we een poos rondjes rijden tot we een parkeerplekje hadden, wat wederom tot stijgende irritatie leidde bij opa en tot gegiechel van mijn broertje en mij op de achterbank. Of hij moest op de weg terug even ergens sigaretten halen, en liet de auto even twee minuten half op de stoep geparkeerd staan op een brug, waardoor we helemaal scheef hingen.


Voor z’n werk was hij grafisch ontwerper geweest, hij had de laatste jaren een bureautje daarin gehad, de Bos Shop. Zijn werk kenmerkt zich door eenvoudige lijnen, duidelijk design, niet duur en ingewikkeld, maar begrijpelijk en recht door zee, functioneel. Na zijn pensioen werkte hij onder andere door aan de Plantage/Weesperbuurtkrant, waarvoor hij weleens de cover maakte en stukken schreef. En hij maakte nog steeds tekeningen, landschappen vooral, liefst met veel telefoonpalen en doorkijkjes door smalle Franse straten. Maar ook een bijzonder portret van oma, waarop ze naar beneden kijkt, haar gezicht deels verborgen achter haar golvende grijze haar.


Ik heb hem nooit in zijn meest actieve jaren meegemaakt. Opa had een rood hart: hij zette zich graag in voor het socialistisch ideaal en mocht graag fulmineren tegen liberale opvattingen. Hij vertelde ook weleens over de oorlogstijd, hoe het toen was, en dat hij eigenlijk de meeste dingen wel kon blijven doen, sporten bijvoorbeeld. En hij kon smakelijk vertellen over zijn reisavonturen: over liftvakanties, of een spannende autorit tijdens noodweer in de Alpen. Als zo’n verhaal begon, dan kon het mij niet lang genoeg duren, en het plezier dat dan op mijn gezicht te lezen lag voedde hem en liet hem nog smeuïger vertellen. Door die verhalen leerde ik de man die hij geweest was toch nog vrij goed kennen, zij het dan gekleurd door de bril van de tijd.


Zo werd mijn opa oud. Om hem heen groeiden zijn planten, trok de rook in zijn boeken en had oma hem diep en onuitgesproken lief. En zoals het bij grootouders gaat komt het moment dat je ze los moet laten. Opa kreeg een tia, niet lang daarna werd oma ziek om binnen een paar maanden tijd te overlijden. De kaarten lagen helemaal anders nu. Van een zelfredzame en kwieke man was opa plotseling veranderd in iemand die nog maar een tiende kon van vroeger, en bovendien het verlies van zijn vrouw moest zien te verwerken. Dat werd een moeilijke tijd waarin we als familie veel bij elkaar geweest zijn. Maar dood ging hij nog niet.


De laatste jaren van zijn leven woonde opa Jacques in een oudemensenhuis aan de Amstel. Hij is er nooit echt gelukkig meer geworden. Het mopperen kreeg de overhand, en er waren veel sombere buien. Mooie momenten waren er ook nog wel: ik volgde een tijdje een vak aan het conservatorium van Amsterdam, en aansluitend ging ik dan een uurtje of twee bij opa langs. “Zo joh, ben je er weer?”, zei hij. Dan zette hij Radio 1 af, en praatte eerst een beetje verslagen over hoe het ging. Dat hij er niet veel aan vond, soms zei hij dat hij oma zo miste. Maar daarna gingen we een spelletje Boggle doen, of het vijfminutenspel, en dan waren we een hele poos zoet, elk in ons eigen hoofd woorden of rijtjes maken, maar stiekem vooral tevreden met elkaars gezelschap. Een echo van het logeren van 15 jaar daarvoor.


Op 17 maart 2024 zou Jacques Bos honderd jaar oud geworden zijn. En de ironie wil dat ik deze ochtend een optreden heb tijdens een dienst in de Oude Kerk in Amsterdam, alsof het aan hem opgedragen is. Nee, opa en de kerk, dat was geen combinatie. Toch denk ik tijdens de dienst met liefde aan hem terug, terwijl het koor een Kyrie zingt dat ik ooit gecomponeerd heb. Met een grijns herinner ik me de première van het stuk in 2011, toen ik in het publiek zat in een volle Sint Janskathedraal. De man die voor me zat zei, waarschijnlijk zonder dat hij goed door had waar hij was, wat mijn opa misschien ook wel had gezegd:


“Godverdomme, wat mooi”.


(17/03/2024)

 
 
 

Opmerkingen


Post: Blog2_Post
bottom of page