Zoeken
  • tomdicke

ANDER LEVEN

Als ik hem zie aankomen kan ik al geen kant meer op. Een hond, op een smalle kaarsrechte weg door de polder, komt uit de inrit van een boerderij gestoven. In volle vaart rent hij op me af, ik zit op de fiets en kan niks anders doen dan zo veel mogelijk versnellen, in de hoop dat hij niet naar me kan bijten. Dat doet hij niet, hij stuift me voorbij, keert om, maar vertraagt dan plotseling tot een sukkeldrafje. Als het z’n bedoeling was om me af te schrikken dan is het hem gelukt, m’n hart bonst in m’n keel. Welkom in Overijssel.


Daar ben ik nu nét. Ik rijd langs de Stouwe, een onooglijk stroompje, niet veel anders dan een sloot, dat de grenslijn vormt tussen Gelderland en Overijssel. Heeft het huisje waar ik een paar dagen verblijf zich in het bos verstopt, in een glooiend landschap aan het topje van de Veluwe, een paar kilometer verder is daar niets meer van te merken. Recht en plat is het, de enige bult in het landschap is het viaduct over de N50 en over het spoor. Ernaast prijken vier nieuwe windmolens: Faith, Hope en Love - en Peace. Een vriend van me vertelde dat over die vierde molen heel wat gezeur is geweest. De lokale christelijke gemeenschap is niet blij met het feit dat de traditionele drieëenheid geweld is aangedaan. Zou het de eerste keer zijn dat Peace zoiets doet?


In een veld waar alleen nog dor hooi op staat is een troepje roeken aan het scharrelen, die zie ik ook niet zo vaak. Een eind verder kom ik langs een stal waar glas in zit, je ziet een melkmachine waar geiten in staan. Langzaam draait het apparaat rond, de geiten kunnen nergens heen maar zitten elk in hun cabine, als in een vernederende carrousel. Om het nog treuriger te maken kunnen ze niet eens naar buiten kijken, ik zie een hele reeks konten voorbij draaien. Aan de andere kant: ze zien wel elkaar, en in de aanpalende stal staan de dieren uit zichzelf in een rij om er ook in te mogen, dus misschien is het ook weer niet zo kwaad.


Wat is het hier toch een ander land dan waar ik woon. Het is zo weids, zo leeg, zo uitgestrekt. Geen flats te bekennen, geen winkels, geen sportschool, maar trekkers, stallen en gras zo ver je kunt kijken. Hier en daar prikken kerktorens de horizon door, het water wordt keurig in toom gehouden door gemalen, ringvaarten en sloten. Vanochtend moest ik al denken aan een gedicht van Ida Gerhardt, en nu weer:


“Mijn vader heeft de waterlaarzen aan.

Wij samen zijn de Lekdijk af gekomen.

Ik ben voor mijn verjaardag meegenomen:

hij moest vandaag bij het gemaal langs gaan.


Gemaal: dat is je vader horen noemen

die vreemde woorden van een andere taal

als hij de waterstand leest van de schaal;

te ademen in het onbenoembaar zoemen

dat gonzend omgaande aanwezig is.

Èn, niets te zeggen als hij bezig is.


“Dàt is een man, daar kun je staat op maken”.

Als op de zaken orde is gesteld

doen wij op huis aan. Een lucht van geweld:

Gorcum lig al door wolken overkraagd.

Geen noodweer en geen wereld kan mij raken

als hij, het laatste stuk, mij op de schouder draagt.”


Nog een eindje rechtuit, en dan ben ik bij het doel van dit fietstochtje, het dorp Zalk. Het klinkt alsof het een verzonnen naam is, maar het bestaat echt, aan de IJssel ligt het, schuin tegenover Zwolle. De plaatsnaam zal bij veel mensen de naam ‘Klazien’ tevoorschijn toveren, het ‘kruidenvrouwtje’ dat ooit in de jaren ’90 beroemd werd door haar verschijning in de media. “Gewoon koolblaa’ren om je hoofd binden, dat werkt heel goed als je pijn hebt, of een papje van aardapp’len erop.” De vereniging ter bestrijding van kwakzalverij had het er druk mee, want Klazien was een tijdlang niet van het scherm te slaan. Paul de Leeuw ondervroeg haar als Bob de Rooij in een oudejaarsshow, ze nam een duet op met André van Duin en leende zich zelfs voor reclames. Vandaag de dag is er een paadje naar haar genoemd in het dorp.


De afgelopen dagen was het erg warm. Vanmiddag was er eindelijk regen, nu is het weer droog en hangt er over de velden rond Zalk een waas van damp. Als de zon daar dan een beetje doorheen komt staat alles in een halo van licht. Plechtstatig schrijden de ooievaars rond door het gras, dat opgelucht ademhaalt nu er weer vocht is. Aan de rand van het dorp kijk ik vanaf de fiets een paar seconden recht een oprijlaantje met populieren af, met aan het eind ervan een boerderij. Twee kinderen rijden op skelters, hotsebotsend en bruusk bochten makend. Boerenkinderen, die totaal anders opgroeien dan ik dat deed. Misschien heeft hun vader ook weleens waterlaarzen aan.


Overal in de omgeving wapperen de vlaggen en zakdoeken die steun betuigen aan de boeren. Op mijn tocht begin ik er iets van te begrijpen: het boerenleven is hier alles, zelfs als je in een dorp woont ben je omringd door akkerland en weides met vee, en ken je de mensen die op het land werken. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat we drastisch minder stikstof moeten gaan uitstoten snap ik het sentiment van de boeren wat beter als ik hier rondrijd. In deze streek leeft de landbouw en de veeteelt, het is het land waar telt wat je zelf gemaakt hebt, en de generaties voor jou. Daarin snijden of zelfs ermee moeten stoppen is voor veel mensen een onmogelijk beeld. Zoals het voor mij een onmogelijk beeld is om de emissie maar te laten voor wat het is.


Soms moet ik ook grinniken om die protestuitingen. Vanochtend fietste ik door Wapenveld, alwaar bij de parkeerplaats van een kerk een bordje stond: ‘Bid voor de boeren’. Even verder was, in de Hervormde Kerk, de ‘Vakantie Bijbel Week’ bezig, ‘dagelijks van 09.30 tot 11.45’. De 45 was er met een papiertje overheen geplakt, wat deed vermoeden dat de bijbelstudie eerst een kwartiertje korter duurde. Ik reed er rond half twaalf langs, de eerste vaders en moeders met kinderzitjes kwamen net aanfietsen. Op het zijraam van het kerkgebouw hing de tekst ‘moklew, sella mosredna’, elke letter op een apart kleurig A4-tje. Zou het toeval zijn dat het thema ‘andersom’ is terwijl het dorp vergeven is van de omgekeerde vlaggen?


Hier in Zalk is de kerk vanavond verlaten. Ik loop er een rondje omheen, een mooi eenvoudig gebouw is het, van simpele baksteen. Ook deze kerk is Hervormd, wat me altijd aan Barbapapa doet denken (die trouwens ook een nogal groot gezin heeft, maar dat terzijde). Achter de kerk trappen twee jongetjes een balletje. Als ik langsloop geeft de ene jongen een schop tegen de bal terwijl z’n slipper net van z’n voet is geschoten. “Au!” roept hij. “Gaat het?” zegt de andere jongen. “Zullen we anders doen dat-ie alleen tegen de muur hoeft, en niet ook tegen de boom? Boeie. Is al lastig zat.”


Alles bloeit uitbundig in het dorp, alsof de droogte het niet geteisterd heeft. De klinkerstraatjes kronkelen gemoedelijk en stralen een rustige tevredenheid uit. De molen heet De Valk (in Zalk, haha!), de bushalte heet Oase. Een man slentert uiterst langzaam met z’n handen op z’n rug over straat. Op de parkeerplaats van S.V. Zalk staat een blauw-met-witte camper, waar een vrouw en een man voor zitten met elk een kopje koffie en een boek. Bij een boerderij aan de Lagelandweg klinkt getimmer uit de stal, een groene silo met vierkante beplating glimt in de zon. Een vrouw snoeit planten in haar voortuin, en geeft een stuurse groet als ik voorbij rijd.


Aan het eind van het dorp loopt de straat even steil omhoog, met aan weerskanten lage bomen. Als je onderaan staat ziet het eruit alsof je daar de lucht in kan fietsen. “Een oprijlaan naar niets”, dichtte Jan Eijkelboom ooit. Eenmaal boven sta ik op de dijk en kijk uit over de IJssel. Zwolle ligt al door wolken overkraagd, maar het ziet er niet naar uit dat het het komende uur gaat regenen. Ik moet weer aan Ida Gerhardt denken, zoals vaak als ik in een rivierlandschap ben, dit keer aan een gedicht dat ik graag lees wanneer ik aan de piano zit. ‘Thuiskomst’ heet het:


“Dit is mijn droom – het kleine huis aan de rivier;

het rustelooze scheren van de zwaluw gaat er

langs dak en raam; de roodborst nestelt bij de vlier.

Een schip zeilt traag voorbij; de bel luidt over ’t water.


En als ik nader waar de dijk zich buigt door ’t land,

richt kort zich op die in den lagen tuin gebogen

over de spade staat – en met de vrije hand

weert zij het helle licht beschuttend van de oogen.


Hoe ken ik dit gebaar, hoe is het mij vertrouwd, –

dit sterke opzien van wie daag’lijks naar de lucht en

het wiss’lend, open water turend, rustig oud

werd in dit dijkland en zijn ruime wolkenvluchten.


Er is een scherp herkennen van elkaar en

dan komt zij langs het smalle klinkerpad gelopen, –

maar keert nog terug en stoot de stroeve huisdeur open.

Dit ogenblik. – Wat tellen zóóveel bitt’re jaren?”


Een ander leven. Wat weet ik er nou van om boer te zijn? Ik ben het niet, net zomin als ik wetenschapper ben, of ambtenaar belast met het stikstofdossier. Wat ik wel weet: met een papje van aardappelen gaat deze kwestie niet over, en het heeft ook geen zin om van je akker een wapenveld te maken. Maar dat scherp herkennen van elkaar, misschien leren we dat nog wel. Een kind op een skelter in Zalk leert totaal andere dingen dan een jongen van dezelfde leeftijd die volgend jaar naar het Barlaeus gaat, of een dochter nabij Gorinchem die met haar vader dat toverachtige gemaal bezoekt. Toch zijn er altijd dingen die ze gemeen hebben. Een bescheidenheid jegens dat wat je onbekend is, en een nieuwsgierigheid naar dat wat je met een ander overeenkomt - wat zou het mooi zijn als we dat konden vinden. Laten we hopen dat we daarmee de bittere jaren voor zijn.


Over de dijk langs de IJssel rijd ik weer weg, terug naar het heuvelland. Het blijft inderdaad droog, en er zijn verder geen honden meer die het op me gemunt hebben. Wel staat bij Bitterling een pony met het allerkleinste veulentje dat ik ooit gezien heb.


8 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

REMISE

MODEL