top of page
Zoeken
  • tomdicke

BULLEVAAR

Bijgewerkt op: 4 okt. 2023

“Kan het zo?”


Ik glimlachte naar mijn oma, die met een stemmig hoedje, een lange rok en in een baaierd van zoet parfum uit haar slaapkamer kwam. Ze hield het midden tussen een filmster uit de jaren 1920 en koningin Elisabeth. “Zo is het helemaal goed, ik denk dat je vandaag de mooiste van het ziekenhuis bent”.


“Aan jou heb ik ook niks”, bromde ze, en lachte. Ik hielp haar in haar jas en gaf haar een arm.


We stapten in haar rammelende Opel. Waarom ze die nog had wist geen mens, rijden kon ze al jaren niet meer. Nu kwam het wel goed uit, ik kon haar elke zondag naar het ziekenhuis brengen. In haar eeuwige goedheid wilde mijn oma elke week daar naar de kerkdienst. Niet omdat ze ziek was - ze was zelfs niet eens gelovig - maar omdat haar oude vriendin Jansje met long covid opgenomen was, en die er anders alleen voor stond. Van achter het stuur wierp ik af en toe een blik naar rechts. Mijn struise oma, haar blik gericht op een punt in de verte - anders werd ze misselijk - en haar rechterhand stevig om de greep boven het portier. Vanwege de bochten.


In het ziekenhuis was het elke week hetzelfde ritueel. Even wachten in de brede gang tot de liftdeuren opengingen en Jansje te voorschijn schuifelde. Jansje zei nooit wat tegen me, knikte alleen kort, alsof ik het juiste pakketje had afgeleverd en ik nu maar weer weg moest. Dan keek ik de twee zacht keuvelende oude ruggen na als ze de kapel binnen gingen, en begon mijn wekelijkse uurtje aan de leestafel, met vieze koffie en een van huis meegenomen boek.


Op een keer voelde ik onder het lezen een zware hand op mijn schouder. Ik keek op, en moest me inhouden om niet te schrikken. Daar stond een man, een lange oude man met een rollator, een uilenbril, vlekkerige wangen en piekerig grijs haar. “Lees. Dik. Hoed!”, zei hij, terwijl hij me priemend aankeek. “Dik?”, vroeg ik, “ik verstond u niet goed denk ik, zei u dik?”. De man maakte een ongeduldige beweging met zijn hoofd, alsof hij er iets mee wilde weggooien. “Boek! Hoed! Lees.” Elk woord kwam er gestoten en met moeite uit, en na de drie woorden zag hij eruit alsof hij niet verder meer kon. Wel bleef hij me verwachtingsvol aankijken, een blik die om meer vroeg dan een afrondend “dankuwel en goedemorgen nog”.


Ik begon nieuwsgierig te worden. Deze man had duidelijk grote moeite met spreken en lopen, toch was hij voor een praatje naar mij toe gekomen. Misschien kon ik koffie voor hem halen? “Jaja. Raag. Wart.”, zei de man. Uit de automaat op de gang haalde ik twee kopjes zwarte koffie, in van die slappe bruine ribbelbekertjes. Toen ik terugkwam was hij op zijn rollator gaan zitten, en onderwierp mijn boek aan nadere inspectie. Hij had de bladwijzer op de grond laten vallen, ik zag dat hij probeerde zich erheen te buigen, en dat dat nooit ging lukken. Dankbaar voor mijn hulp en tegelijk verbolgen over zijn eigen onvermogen nam hij de koffie van me aan. “Jaja.”, zei hij, en vervolgens, wijzend op het boek, “Soof. Duis. Hoed!”.


“Ik worstel me er een weg doorheen”, zei ik, “Kant is soms best lastig. En ik voel me ook altijd een beetje aanstellerig om het in het openbaar te lezen, maar het is voor mijn studie, ziet u?”. De man keek me opnieuw indringend aan en gaf een korte hoofdknik die wel alles kon betekenen. “Leest u veel?” vroeg ik maar. Nu verscheen er een licht in zijn ogen. “Jaja!”, zei hij weer, “Lees. Hoed!”


“U zegt dat steeds, hoed, wat bedoelt u?” vroeg ik, omdat ik er geen wijs uit kon. De man tilde een grote arm op, stak een duim omhoog en zei met kracht “Hoed!”. Daarna wees hij op zichzelf en zei: “Zeeu. Wlaadr.” Hij wilde verder praten maar moest tot zijn eigen frustratie weer even pauzeren. Verbeten pakte hij het koffiebekertje vast, wilde een slok nemen en zette het met een grom weer neer omdat het nog te heet was. Van de weeromstuit liet hij een klinkende scheet. “Hup.” zei hij. Ik schoot onwillekeurig in de lach.


“Zo meneer Bullevaar, hebt u vrienden gemaakt?” klonk een professioneel opgewekte stem. Er stond een gezette verpleegster met een glad gepancaket gezicht dat minder lachte dan haar stem deed vermoeden. “Jaja. Kaht. Hoed.”, zei de man, die dus blijkbaar Bullevaar heette. “Zeker, héél goed. U mag met mij meekomen, het is tijd voor bloedprikken meneer Bullevaar. U fijne dag hoor!” voegde ze er tegen mij aan toe. Gedecideerd hielp ze de oude man weer op te staan en troonde hem mee het zaaltje uit. Bullevaar wierp nog een spijtige blik op de koffie, waar hij geen slok van had kunnen nemen.


Ik bleef een poos aan de zonderlinge man denken. Wat moest het een uitdaging zijn om nog maar zo weinig te kunnen zeggen. De hele verdere week bleef de gedachte zich opdringen: hoe zou ik het zeggen als ik nu maar drie lettergrepen had? Tijdens een van mijn werkcolleges probeerde ik het zelfs uit, bij wijze van empirisch experiment, maar na een halfuur grapte Franka cynisch ‘dat de these: “Ik heb aan een half woord genoeg” nu wel als ontkracht kon worden beschouwd’.


De zondag daarop haalde ik opnieuw mijn oma op. Onder het rijden bracht ik mijn ontmoeting van de afgelopen week ter sprake. Bij het noemen van de naam Bullevaar draaide ze zich scherp naar me om. “Bullevaar? Oh, vreselijke man is dat, kwam die met jóu praten? Die zit bij Jansje op de afdeling, maar hij zegt nooit een stom woord tegen ‘r. En hij kijkt ook zo eng.” Ik overwoog even om te zeggen dat Jansje nooit een stom woord tegen míj zei, maar besloot het te laten varen.


De weken gingen voorbij. Ik las Kant uit, zij het met gepaste moeite, en stortte me daarna op het werk van Kierkegaard. De koffie was nog altijd niet te pruimen, maar het begon er een beetje bij te horen. Zusters ruisten langs, om me heen aan de leestafel babbelden mensen over koetjes en kalfjes, vrouwen met infusen aan een paal bladerden wat in de Margriet of in de Jan, maar niemand stapte meer op me af om een praatje met me aan te knopen. Bullevaar zag ik nooit meer.


Toen ik ergens half mei mijn oma weer bij Jansje had afgeleverd, en door de brede gang op weg ging naar de koffieautomaat werd ik aangesproken door een haastige verpleegster. “Ah, jij bent het toch?” zei ze vaagweg. "Meneer Kant?” Toen ik haar niet-begrijpend aankeek vervolgde ze: “Die toen met meneer Bullevaar in gesprek was? Ben je er nog even? Ik heb iets voor je.” Nu herkende ik de vrouw met het pancakegezicht, maar voor ik iets kon zeggen was ze weggelopen. Verbaasd bleef ik staan wachten op de plek waar ze me had achtergelaten.


Na een paar minuten kwam ze terug, met een bruine envelop bij zich. “Kan ik hem tóch nog aan je geven”, zei ze, “ik was al van plan het maar eens weg te doen. Hij stond erop dat je het zou krijgen.” Verwonderd keek ik naar de envelop in mijn hand, waar in krulletters JONGEMAN KANT opgeschreven stond. Ik wilde de zuster bedanken, maar toen ik opkeek bleek ze alweer opgegaan in het gekrioel van witte jassen. Afwezig tapte ik koffie bij de automaat, en stapte naar de leestafel, waar ik de envelop openmaakte. Er kwam een brief tevoorschijn, geschreven met vulpen en in een prachtig schuin krullend handschrift. Ik legde het papier op tafel, en las:


23 april 2021


Beste heer Kant,


zo noem ik u maar, bij gebrek aan enige andere informatie. Wat was het plezierig om me even met u te onderhouden, hoe kort en gebrekkig ook. Zoals u wel merkte is er niet veel meer over van mijn spraakvermogen, en dat komt naar de artsen zeggen ook nooit meer terug. Deze conditie waarmee ik het te stellen heb reduceert me in feite tot een banneling in mijn eigen hoofd. Een kluizenaar, zo u wil. “Onmondigheid is het onvermogen zich van het verstand te bedienen zonder de leiding van een ander”, dat schreef u ooit, meneer Kant. Zover is het nog niet met me, ik beschik nog over het schrift en over mijn denkvermogen, al lijkt de wereld dat te vergeten wanneer je niet goed spreken kunt.


Het is nu enkele dagen na onze ontmoeting en morgen zal ik uit het hospitaal ontslagen worden. Hoe positief dit ook klinken moge, het zal me eenzamer maken dan ik was. Weliswaar bevind ik me dan weer tussen mijn boekenkasten, waarin ik mijn dagelijkse routine vind, een spontaan onderhoud met een onbekende ander behoort niet langer tot de mogelijkheden. De hoop u nog eens te spreken bij een kop koffie bleek ijdel, ik vond u nimmer weer. Dat spijt me, ik was erg getroffen door uw attentie.


Het ga u goed, of hoed, zoals u wil. Was getekend,


Egbert Bullevaar


Verstrooid keek ik in de verte en nam een slok van mijn koffie, die ik meteen zowat uitproestte: blijkbaar had ik gedachteloos op ‘wiener melange’ gedrukt. Ik las de brief nog twee keer, en dacht terug aan de rijzige verschijning met piekhaar, die met horten en stoten bewoog en sprak, maar die slechts het omhulsel bleek van een erudiete en sociale man. Ik voelde me een beetje betrapt. Hoeveel mensen had ik al niet tekort gedaan door ze bij voorbaat af te schrijven op grond van hun communicatie? Ik vouwde de brief op en stopte hem als bladwijzer in Kierkegaard. Achterwaarts begrijpen, inderdaad.


Ik zat nog wat voor me uit te staren toen oma mij op de schouder tikte. “Zo jongen, we moesten maar weer eens gaan”. “Hoed.”, zei ik, “Haan.” Oma wierp me een scheve blik toe.


“Aan jou heb ik ook niks” lachte ze, en gaf me een arm.


(Fictie, geschreven 6-7 augustus 2023)

67 weergaven1 opmerking

Recente blogposts

Alles weergeven

PLOF

Post: Blog2_Post
bottom of page