Zoeken
  • tomdicke

FLAG-RANT

(Of: waar is dat nou voor nodig?)


De lekkere koffie is op. Hoewel ik geen échte koffiesnob ben haal ik toch het liefst verse bonen bij de speciaalzaak in de binnenstad. Ik vind het zelfs geen bezwaar om ervoor op en neer te rijden. Met een tasje onder de snelbinders ga ik op weg. Het is een kraakheldere oktoberdag, de toppen van de bomen aan de Hugo de Grootlaan zijn dieprood, de rest van de bladeren nog niet. Ik fiets op de fijnste manier: lekker stevig doortrappen terwijl je toch geen haast hebt.


Schuin tegenover de koffiewinkel is het plein met daaraan het stadhuis. Het vertrouwde classicistische gebouw steekt blakend wit af tegen de blauwe lucht. Aan het torentje wapperen twee vlaggen: de Oekraiense en de regenboogvlag. Meestal is vlagvertoon niet aan mij besteed, en ik voel me evenmin gauw representant van welke beweging dan ook. Iemand die de barricade op gaat voor z’n rechten ben ik ook al niet, maar deze keer doet het me toch iets. Ik ben opgegroeid als homoseksuele jongen in deze stad, en nu is het over alle daken van de stad heen te zien: ik mag er zijn, ik ben oké. Net als alle anderen met een lhbtqia+-achtergrond.


Heb ik dat dan nodig?


Ik ben liefdevol grootgebracht door mijn beide ouders, die al vroegtijdig tegen me zeiden dat het ook goed was als ik met een vriendje thuis zou komen in plaats van met een vriendin. De eerste keer dat ze dat zeiden weerde ik het met kracht af. “Nee zeg! Hoezo? Ik val gewoon op meisjes hoor.” Ik had nog geen idee. Aan het begin van VWO3 verhuisden we van de Noordendijk naar de Overkampweg, waarmee een aantal leerlingen uit beeld verdween, en enkele anderen erbij kwamen. Eén ervan werd in die jaren mijn beste vriend, en het duurde niet lang of ik vroeg me af waarom ik toch voortdurend het gevoel had dat ik hem miste of bij hem wilde zijn. Oh oh…


Zo kwam ik er op mijn vijftiende achter dat ik inderdaad homo ben. Daar was ik voor mezelf eigenlijk meteen wel oké mee, al wist ik op school niet wat ik ermee aan moest. Een tijdlang vertelde ik het aan niemand, zelfs niet aan m’n ouders, hoewel ik best wist dat die het prima zouden vinden. Uiteindelijk waren de onvolprezen Robin en Kiki de eersten die het wisten, en toen dat woord er eenmaal uit was volgden een paar andere vrienden. Uiteindelijk lukte het me zelfs om m’n beste vriend te vertellen dat ik verliefd op hem was, wat tot niets leidde omdat hij, zoals ik al verwachtte, hetero is. Op m’n zeventiende volgden dan eindelijk mijn ouders en de rest van de familie toen ik mijn eerste vriendje kreeg. Onhandig liepen we het hele huis door mijn moeder achterna bij de afwas en de waslijn, tot ze bijna kribbig zei: “Ja zeg jongens, is er iets? Moeten jullie me iets vertellen?”.


Ik heb dus best een gemakkelijke coming-out gehad, al duurde het een tijd voor ik de stap durfde te zetten om ermee naar buiten te komen. Na mijn middelbareschooltijd - waarin er zo nu en dan weleens plagende opmerkingen kwamen over mijn vermeende interesse in jongens, maar meer ook niet - is het nooit meer een issue voor me geweest. Niet in mijn bijbaan bij de NS, niet tijdens m’n studie (er bleken nog meer homo’s te bestaan, hoera!), niet tijdens m’n muzikale carrière. Gewoon helemaal niet. Ik prijs me daar gelukkig mee.


Daarnaast heb ik, zo lijkt het, een talent voor liefhebben. Toen ik 17 was begon mijn relatie met Roel, die duurde min of meer tot ik Bertram ontmoette op mijn 21e, en een paar maanden nadat dat uitging ontmoette ik Alke, met wie ik nog altijd samen ben. Hoewel ik me niet altijd overal vrij voel om in het openbaar zijn hand vast te houden of elkaar te zoenen heb ik toch zelden het gevoel dat ik mijn vorm van liefde moet verstoppen. Wel weet ik van mensen om me heen dat lang niet iedereen dit zo ervaart. Het kan variëren van onwetende of onhandige tot bewust kwetsende opmerkingen, scheve blikken op straat of in een café, tot zo nu en dan verbaal of zelfs fysiek geweld aan toe. Wederom prijs ik me gelukkig dat ik van dat laatste zelf nooit last heb, want zulke interacties hebben een grote impact op je leven en je gevoel van zekerheid.


Lange tijd vond ik dat trouwen voor mij niet hoefde. Het instituut ‘huwelijk’ heeft geen speciale betekenis voor me, en toen, nu ruim twintig jaar geleden, het eerste ‘homohuwelijk’ werd gesloten deed dat me niet veel. Ik was nog niet van de leeftijd dat je aan trouwen dacht, en de middelbare mannen die op het journaal kwamen representeerden mij niet. Zo voelde ik dat, maar dat deden ze natuurlijk indirect wel. Zij, en met name nog de generatie vóór hen die altijd verstoken heeft moeten blijven van officiële erkenning van hun relatie, hebben de weg geplaveid voor ons, een homoseksueel koppel in 2022, dat een bestendige relatie heeft.


En zo trouwde ik vorig jaar februari dus in dit stadhuis met mijn man Alke. Dat dat kan is een groot goed (hoewel dat zeggen tevens bewijst dat de emancipatie nog niet voltooid is). We deden het op onze eigen manier, zij het dat we met veel restricties te maken hadden omdat we midden in een coronalockdown zaten. Er mochten slechts 30 mensen bij zijn, waarop wij besloten het te houden bij de vier getuigen (onder wie mijn broer), Alkes ouders en zus, mijn neef als muzikant en een vriendin als fotografe. Heel klein, maar ook mooi, want de dag had daardoor een intiem karakter dat anders niet op dezelfde manier uit de verf was gekomen.


Op 8 februari 2021 lag er een dikke laag sneeuw over het land. Zodra de bakker open ging zou ik de bestelde gebakjes halen, maar fietsen met een doos taart was door de gladheid geen optie. Ik ging die ochtend dus lopen, ruim een half uur heen en ook weer terug, voorzichtig over de Zuidendijk en door Krispijn, glimlachend om het rare begin van mijn trouwdag. Rond half tien waren Alkes ouders en zus er, met wie we een taartje aten en koffie dronken. Daarna reden we in onze nette pakken (en ik met vrij lang haar, want de kappers waren al een hele tijd dicht) naar het stadhuis van Dordrecht.


Het werd een beetje spannend of de weinige gasten die kwamen het wel zouden halen, maar alles kwam goed. De babs was pas als laatste aanwezig, om vijf voor elf. Ze vertelde in haar praatje dat de bussen niet bleken te rijden, waardoor ze naar het centrum had moeten liften. Een pick-up truck geladen met hout nam haar mee, wat ik een heerlijk verhaal vond. Daarna spraken Alke en ik tegen elkaar, de vier getuigen deden een woordje, en Martijn speelde ontroerende muziek. Er waren geen trouwringen, er was geen ingewikkelde taart, en een feest houden was nu niet eens mogelijk. Tussen de protserige leeuwen die de grote trap flankeren werden foto’s van ons hele groepje genomen, met mondkapjes op. Een paar collega’s van Alke die vlakbij werken kwamen buiten even langs om ons geluk te wensen.


Toen was het officiële deel alweer voorbij. Martijn en de getuigen gingen mee naar ons huis, waar weer taart was, lunch, koffie en een glas champagne. Rond half drie vertrok iedereen weer (je mocht eigenlijk niet eens méér dan één gast thuis ontvangen) en om drie uur was ik zo moe dat ik tot aan het avondeten heb geslapen. Ik weet niet eens meer wat we die avond hebben gedaan. Geen overnachting elders, geen grote spetterende gebeurtenissen. Maar er was liefde. Pure, zachte, diepe, intieme liefde, gewoon samen zittend op de bank en etend aan tafel, tussen mij en mijn kersverse man.


En vandaag, op de dag van de diversiteit, hangt dus de vlag uit. Van overheidswege wordt het van de daken geschreeuwd: laat je zien, je mag er zijn, zoals je bent en zoals je wilt zijn! Er wordt altijd gezegd dat ambtelijke molens langzaam draaien, maar in dit geval zijn ze sneller dan een fors deel van de bevolking. Er zijn nog altijd groepen in de maatschappij die het liefste willen dat altijd alles hetzelfde blijft: het huwelijk is voor man en vrouw, transgender personen moeten teruggestopt in een hokje dat hen niet past, en zoenende mannen in het openbaar zijn aanstootgevend. Maar veel gaat ook wél goed: een tweet van mij waarin ik een trouwfoto deelde werd heel veel gedeeld, waarbij ook tientallen mij onbekende mensen ons feliciteerden. Daartegenover stonden slechts drie mensen die met kotsemoji reageerden, een extreem-rechtse Vlaamse vrouw die onze foto voor haar karretje wilde spannen, en een oud-gedeputeerde van de provincie Gelderland die mijn tweet citeerde met alleen het woord “Bah” erbij. Vervelend, maar verhoudingsgewijs weinig gedoe.


Kortom: ik heb het zelf niet zo hard nodig, maar er zijn zat mensen die in een omgeving leven waarin ze op dagelijkse basis niet zichzelf kunnen zijn. Natuurlijk, omwentelingen in het denken hebben tijd nodig, maar vooral ook voorbeelden. En dáárom ben ik blij met elke steunbetuiging, bijvoorbeeld in de vorm van de regenboogvlag, zeker als een instantie die maatschappijbreed opereert dat doet. Voetbalclubs, jongerencentra, kerken - er is en blijft werk aan de winkel. Algehele normalisering van lhbtqia+’ers leidt tot volledige acceptatie, en daarmee tot ontspanning en levensgeluk van personen die tot een kleinere groep behoren dan de heteroseksuelen. Misschien maak ik zelfs nog mee dat de coming-out niet meer bestaat.


Laten we het hopen. Gelukkige diversiteitsdag gewenst! En deel je verhaal als je er ook een hebt, dat helpt net zo goed.

62 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

REMISE