top of page
Zoeken
  • tomdicke

OP GOED GELUK

Bijgewerkt op: 4 jun. 2023

Het is druk hier. Jongens op stepjes scheuren behendig over het fietspad, dat eigenlijk maar nauwelijks zichtbaar afwijkt van de stoep. Een vrouw met een bovenmaatse schoudertas roept schel iets in het Spaans, een Marokkaanse man loopt met een mismoedig gezicht te bellen, een donkere jongen zit op een stoepje en rookt een stinkende sigaret. Auto’s zoeven door de drukke straat, langs belwinkels, snuisterijenzaken en dichtgetimmerde etalages. Door die hoge huizen oogt het hier meteen al zo buitenlands als wat, terwijl ik toch anderhalf uur geleden nog gewoon in Dordrecht was.


Meteen vanuit het centraal station ben ik rechtsaf geslagen. De enige reden daarvoor is dat ik al goed weet waar ik terecht kom als ik naar links ga: de brede boulevard richting de winkelstraten, waar het volledig op dagjesmensen gericht is. Dat is niet waar ik voor kom. Afgelopen zomer liep ik een hele dag door Brussel, ook langs de minder mooie plekken. Ik wil een stad graag zien zoals ze is, niet zoals ze zich voordoet. Schoonheid hoeft niet voor me te worden uitgestippeld, die ontdek ik liever zelf. En die kan overal zijn.


Vandaag dus Antwerpen. Vanaf de drukke straat kom ik bij de Lange Beeldekens en de Korte Zavelstraat terecht, waar het nog internationaler oogt dan zonet. Groentewinkels hebben hun waar op straat staan, losgeraakte koolbladeren liggen aan stukken op de grond, en dappere duiven hobbelen rond om gevallen etenswaren te snaaien. Hele groepen Arabische mannen zitten op plastic stoeltjes te praten onder een arcade, druk gebarend. Ik passeer een Albert Heijn (die heb je hier blijkbaar ook) met een onmogelijk rommelig ogende parkeergarage erbij, maar vooral veel stoffenwinkels, eethuizen en warenhuisjes waar alles wat goedkoop is verkocht lijkt te worden.


Het gaat niet met iedereen even goed hier. Mensen zien er armelijk uit soms, hangen wat op straat, ogenschijnlijk zonder doel. Op het Hortensia Sillisplein ligt een zwerver in een slaapzak, enigszins beschut door een plantenbak. Ik zou hem over het hoofd hebben gezien als niet net op dat moment een vrouw uit haar huis komt en iets tegen hem zegt. Niet boos, ze wil hem niet weg hebben, maar aardig, hulpvaardig. Het ontroert me, en doet met ook bedenken of ik zelf wel zo zou handelen als er iemand voor mijn deur zou liggen.


De wijk verandert. Ik ben aan de noordkant van het centrum nu, de stoffenwinkeltjes zijn verdwenen, het is rustiger op straat. Het is rond half vijf, dat merkwaardige moment op de dag dat de middag al een beetje voorbij is maar dat het toch echt nog geen tijd is om te gaan eten. Bij mijn vorige bezoek aan de stad ben ik aan de Schelde geweest, bij de havenkranen, en ben ik rond de Willemshaven gelopen. Dat heb ik al gezien, dus ik blijf bij de keuze om willekeurige straten in te gaan. Zo kom ik langs de Pretstraat, waar iemand een bordje heeft veranderd in “Prettigstestraat”, en langs het Falconplein, een langgerekte stenige plek met wat terrasjes en een paar winkels.


Vanavond ga ik in het zuiden van de stad naar een optreden, ik zoek eens op hoe laat het begint. Dat is maar goed ook, het blijkt al om half acht te zijn. Daar had ik geen erg in, dan moest ik toch nu maar vast iets gaan eten. Gelukkig vind ik het niet bezwaarlijk om in mijn eentje naar een restaurant te gaan. In de Lange Koepoortstraat beland ik bij de Croquettenbar, wat fout klinkt maar heel lekker is. Ik heb een proeverij van zes verschillende vegetarische kroketjes, wat brood en een heerlijke salade. De eigenaar van het restaurant is een Nederlandse man, een Brabander zo te horen, die tegelijkertijd gastvrij en wat gesloten overkomt.


Na het eten kom ik dan toch door het toeristische centrum. Niet erg, ik hoef het nu ook weer niet te vermijden. Bij wijze van toetje haal ik een frozen yoghurt. De rage van vijftien jaar geleden is hier blijkbaar nog niet uitgewoed, voor mij is het alsnog voor het eerst dat ik het eet. Ik slenter ermee naar de Groenplaats waar de zon uitbundig op het steen schijnt. Mensen zitten op bankjes of hangen wat rond en kijken naar andere mensen, net als ik nu doe. Een moeder met hoofddoek roept haar kleine dochtertje, dat, zoals driejarigen zo goed kunnen, per stap bedenkt welke kant ze eens op zal gaan. “Khadija!” Na twee keer roepen komt ze, de moeder glimlacht vertederd, en ik ook.


Eens kijken, hoe nu verder? Het is nog drie kwartier lopen van hier tot mijn bestemming, een klein theater in Berchem. Daar heb ik nog ruim anderhalf uur de tijd voor, dus ik kan het rustig aan doen. Ik sla af, de Kammenstraat in, een gemoedelijk slingerend lint met allerhande winkels. Nu kom ik ook af en toe langs terrassen waarvan ik vermoed dat de Antwerpenaren er zélf graag zitten. Bij een avondwinkel hangt een bordje OPEN, maar als ik nog eens kijk zie ik dat dat er helemaal niet staat, de lichtgevende letters vormen het woord POETRY. Weer wat verder kom ik op de Leopoldplaats, waar de sfeer compleet tegenovergesteld is aan die van de buurt waar ik begon. Mannen met witte of lichtblauwe overhemden zitten op het terras met hun geparfumeerde echtgenotes. Het bankgebouw aan de overkant weerspiegelt hoe graag mensen hier laten zien dat ze het breed hebben.


Van het dure plein voert een brede straat naar het zuiden. Zo nu en dan ruist er een tram voorbij, ze hebben hier vrij baan, tussen de twee sporen in staan grote platanen. Een paar jongens met een keppeltje op komen me tegemoet, van achter me word ik ingehaald door een groep lawaaiige Hollandse meiden op huurfietsen, die op hun beurt weer aan de kant worden gebeld door een flitsbezorger. Vrouwen met rimpels laten kleine hondjes uit, een man met een hoed beent nors een zijstraat in en fronst als hij de zon in z’n gezicht krijgt. Wat is het leven op elke willekeurige plek toch heerlijk. Om te zien, om mee te maken.


Dan klinkt er muziek tegen de gevels op, Sweet Caroline, door een koperorkestje dat ergens verderop speelt. Leuk dat ze nou net dit spelen, het is een soort lijflied van de Koningstheateracademie (Sweeeeeeet KTA, who-o-oooo…). Als ik nog iets doorloop kom ik bij het Harmoniepark, waar een festival gaande is. Een man in een ouderwets tamboerskostuum roept keihard door een metalen toeter tegen het picknickende publiek dat er zo iets gaat beginnen - IS DA DUIDELIJK?! Er volgt een klein applausje, waarna het koperorkestje van net weer inzet, lekkere ouwe jazz deze keer. Een klein jongetje begint ogenblikkelijk te dansen, met op en neer stuiterende armpjes.


Door nog, ik begin nu in de buurt te komen. Meteen aangrenzend is het Koning Albertpark. Hier groeien enorme kastanjes, die vol in bloei staan. Een groep van rond de vijftig joodse jongens heeft hier zo te zien net een evenement gehad, ze vertrekken net als ik langsloop. Een jongeman met rood haar, een t-shirt van een rockband en, net als alle anderen, een keppeltje op z’n hoofd, leidt de meute tamelijk ordelijk naar de straat, maar z’n afwezige blik doet vermoeden dat hij er een zware dag op heeft zitten. Op een grasveldje dat gemarkeerd is met linten zijn Oost-Europeanen lekker aan het voetballen, en ernaast is een Pakistaanse familie aan het cricketen. Ze hebben heuse wickets neergezet, maar verder gaat het er een beetje knullig aan toe, met veel misslaan en lullig heen en weer hollen. Hoewel ik niets versta van wat ze zeggen is duidelijk dat ze gemoedelijk lachen om hun eigen onhandigheid.


Als ik de muziektent passeer strijkt er vanuit de kastanjes een houtduif neer. Hij roept een paar keer en kijkt uit over de omgeving alsof die van hem is. En dat is natuurlijk ook zo. Het maakt dat ik even moet denken aan wat dat eigenlijk is, ergens wonen, een plek hebben waar je thuis bent. Al die woningen die ik gepasseerd ben vandaag, al die kamers boven winkels, huizen met dure trappen ervoor, tussenwoninkjes, appartementen met tien bellen bij de gedeelde voordeur: achter al die deuren hebben mensen hun thuis. De man met de hoed, de joodse rocker, de moeder van Khadija: elk van hen heeft hier ergens een deur, een eigen plek, gestapeld op en tussen die van tienduizenden anderen. Het alledaagse wonder van de grote stad.


Het laatste stuk rechtdoor, over de Grotesteenweg. Op de zijkant van een huis dat wat verder naar voren springt dan de rest staat een metershoge tekening van een jongetje dat tot tien telt bij verstoppertje. Het is hier rustig, er rijden weinig auto’s, het voelt alsof ik in een voorstad beland ben. In een kleine straat links van de hoofdweg is theater De Nieuwe Vrede. Ik stap binnen in een soort Vlaams café, waarbij nog niet meteen duidelijk is dat er überhaupt een theaterzaal in de buurt is. Maar ik ben hier goed, er is een beige zaal met diep doorzakkende stoelen, en vanuit één daarvan zie ik, voldaan van een heerlijke dag rondkijken, de voorstelling met protestliederen van de derdejaars van de Koningstheateracademie, met de geweldige Erik Vlasblom aan de piano.


De avond eindigt met een rozig napraten. Aan de toog schenken vrouwen in bloemenjurken Duvel en Seef, de studenten komen uitgelaten aanzetten en willen weten wat ik er allemaal van vond. Ik klets met iedereen en niemand, ineens toe aan het praten dat ik de hele dag niet noemenswaardig gedaan heb. Het is zo’n gezellig moment, een bekroning op een dag lopen-zonder-doel, met enkel aan de horizon dat onbekende theatertje waar ik nu ben, en waar het goed is. We proosten. Op goed geluk.

21 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

PLOF

Comments


Post: Blog2_Post
bottom of page