Zoeken
  • tomdicke

REMISE

(of: Het verhaal van het feest in de nacht)

(of: Ik durf dingen)


Half mei ben ik moe. Dat is bijna elk jaar zo, het is het moment dat ik de bandarrangementen voor de MusicAllFactory af moet hebben en dat is altijd een groot karwei. Zelfs als je denkt: het duurt altijd langer dan je denkt, dan duurt het toch nog langer dan je denkt (hoi Judith!). Maar hoera: op zaterdag 20 mei leg ik er de laatste hand aan. Dertien nummers voor solisten, koor, fluit, multiblazer, gitaar, bas, drums en twee keyboards.


En vanavond is er feest. Ik heb lang getwijfeld of ik wel wil gaan; het is het feest van Marlou en die ken ik nog niet heel goed, en het is in Schoonhoven. Als ik niet na een uur of twee alweer naar huis wil moet ik er blijven slapen. Maar het is prachtig zonnig, ik heb m’n werk af en zin in plezier, dus ik pak een tas met wat slaapspullen en reis erheen. Toch maar niet op de fiets, zoals ik eerst van plan was, maar via Rotterdam Blaak en busstation Capelsebrug. De bus rijdt na een paar minuten de stad uit, en ik kom door de Krimpenerwaard, een stuk Nederland dat ik nog nooit gezien heb. Valkjes hangen biddend boven de berm, ik zie wat witte reigers staan, de zon zakt gul en mild in onze rug en overgiet de volstrekte groene platheid met oranje. We komen door Bergambacht en langs Ammerstol, en dan moet ik er bij Schoonhoven Noord uit.


Het is maar twee minuten lopen. Marlou heeft een theaterschooltje in een voormalige busremise, je kunt het nog zien aan de enorme garagedeur en de aanpalende parkeerplaats met veel te grote witte vakken. Op de grond liggen overal versleten tapijten, er staat een pooltafel en er is een barretje. Achterin staat een complete backline voor een band, de grote deur is omhoog waardoor het feest tegelijk binnen en buiten is. Ik groet Alex, misschien wel mijn oudste vriend, en feliciteer Marlou, zijn vriendin. In een oogopslag kun je het zien: hier is het goed, en hier is het relaxed.


Vroeger zou er desondanks een enorm obstakel voor me geweest zijn. Als ik wist dat ik ergens naartoe ging waar ik waarschijnlijk veel nieuwe sociale contacten zou moeten leggen dan had ik de neiging het af te zeggen, of als het niet anders kon ergens in de hoek te gaan zitten. Liever onttrok ik me aan vreemde mensen dan te proberen er wat van te maken. Ik was bang, sociaal bang. Hoewel ik nog steeds goed alleen kan zijn is er inmiddels veel veranderd. Ik ben zelfverzekerder geworden, rustiger, ik weet beter wie ik ben. Het binnenstappen bij dit feest bevestigt nog eens dat ik die oude angst grotendeels afgeschud heb. Ik kan dit! Mensen zijn niet eng!


En ik ken hier bijna geen mensen. Alex dus, en Marlou een beetje, maar verder in het begin nog niemand. Maar die pooltafel. Iemand spelen? Binnen vijf minuten sta ik te poolen met Daan, een jongen van 19. Z’n moeder blijkt in de buurt te staan en knoopt terwijl we spelen een praatje aan. Het biljart loopt ongelooflijk scheef; zelfs al stoot je met beleid, het kan nog zomaar gebeuren dat de witte bal in een totaal niet bedachte pocket duikt. Een dubbelgevouwen pizzadoos onder een van de poten helpt een beetje, alleen heeft die als nadeel dat we er soms over struikelen en dan vliegen de ballen pas echt in het rond.


Ik neem een biertje en praat kort met mensen die rondom staan. Een man met een laag hoedje neemt de keu nu op tegen een soort rocker met een gegroefd gezicht. Ze kijken lang en interessant naar de tafel, lopen er belangrijk omheen, maken schijnbewegingen. Daniel en Nieky komen aan, en Erik, die ken ik ook! Knuffels, drankje, praten. Buiten begint het donker te worden, er wordt een vuurkorf aangestoken en er gaan schalen met eenvoudige hapjes rond. De twee biljarters blijken muzikanten te zijn, want niet veel later zitten ze verwoed flamenco te spelen. Een kale man loopt rond met een iPad om het geluid te regelen, maar veroorzaakt desondanks nu en dan knallen en gepiep.


Het maakt me eigenlijk niet meer uit dat ik mensen niet ken. Iedereen wil gezelligheid, iedereen wil wel wat zeggen, en soms stokt dat na een minuutje weer, of er valt iets om, iemand anders loopt langs, iemand vlakbij maakt een grap en dan draait het gesprek als een kermismolen een andere kant op. Soms stokt het niet en sta je een halfuur lang met iemand te praten, de tijd is weg, er is een soort ultieme vrijheid van het woord. In de hoek maken mensen muziek, iemand gaat drummen, een echtpaar zingt heel veel liedjes achter elkaar. Het ruikt naar vuur en gefrituurd eten.


In mijn tas zit een melodica, ik heb hem meegenomen omdat ik wist dat er live muziek zou zijn en dat iedereen mee mag spelen. Een tijdlang sta ik er aarzelend mee aan de kant, omdat ik de liedjes en de mensen niet ken. Maar dan hoor ik Fragile, dat ken ik wel, ik schuif aan, pak een ongebruikte microfoon en ik speel. Er wordt geklapt, ik doe maar wat , het is allemaal oke. Dan een blues, ik blaas mee. Ineens wisselt de band van samenstelling, de man achter de toetsen pakt een bas, ik ga achter de piano. Alex zingt, Kraaien, van André Manuel, in bruut rommelige driekwartsmaat. Ik brul onder het spelen het akkoordenschema tegen de bassist, steeds één akkoord vooruit.


Buiten is de nacht in volle gang. Een kraakhelder uitspansel met sterren, je kunt ze zien als je niet net in het vuur gekeken hebt. Ik ga even iets uit mijn tas pakken, die staat al in het oude stationsgebouwtje hiertegenover waar ik vannacht logeer. In dit huis is het plotseling veel stiller, alsof het hier al uren later is, de geluiden van pratende mensen en muziek klinken als van ver. Binnen word ik begroet door een langharige witte hond, die me met grote ogen nieuwsgierig aankijkt. Hij blaft niet, negeert me niet, maar loopt met me mee het huis door en weer terug.


“Jij kan lekker pianospelen zeg! Alleen die melodica hoorden we haast niet”, zegt iemand als ik weer terug ben. Ik kijk met een schuin oog of ik de kale man van de knallen ergens zie, maar ach, voor hem is het ook feest, en wat maakt het ook uit. Een vrouw van eind 50 met kort haar en een witte broek danst een hele tijd in haar eentje. Iemand vertelt me dat er resten van een oude piano in de vuurkorf zijn gegooid. Ik kan ze er niet meer in herkennen. Nieky en Daniel gaan weer, en als ik rondkijk zie ik dat er buiten bijna geen mensen meer zitten. Zwaaiend verdwijnen vrienden en familie in groepjes in de nacht. Uiteindelijk blijven alleen Erik, Alex, Marlou en ik over. Het wordt echt nachtwerk, diep nachtwerk. Ik speel nog Alex’ eigen lied Al duizend keer, hij zingt het mee, en Joost mag weten wat ik allemaal nog meer gespeeld heb. We praten en lachen en praten tot het achter de grote deur (die inmiddels dicht is) al een beetje licht begint te worden.


De volgende ochtend ben ik het eerste wakker. Tussen de gordijnen door is er een streep zonlicht op m’n gezicht gevallen, dat zal het wel zijn. Ik stommel de keuken in, er staat een oude piano waar geen toetsen meer in zitten. Nu groeien er plantjes uit. Boven het aanrecht hangt een bordje:


LIF

LAF

STERF


Aangezien ik niet weet of de anderen op zullen zijn voor ik weg moet snuffel ik wat in de koelkast. Cruesli en griekse yoghurt, dettel doe. De deur naar de straat gaat zwaar, maar ik krijg hem zonder geluid te maken open. Zondagochtend in Schoonhoven, op blote voeten steek ik de klinkerstraat over om m’n ontbijt in de morgenzon op te eten. Er fietsen bedaagde mensen voorbij, een vroege wielrenner, er rijdt een enkele auto langs. Ik heb nog een slaaphoofd, maar de wind speelt door de bladeren, en het is rustig en goed.


Als ik terugkom worden Alex en Marlou ook wakker. We drinken samen nog een kop sterke filterkoffie, dan stap ik op. Wat was het fijn! Nu ga ik met de bus naar Gouda, en dan naar Zoetermeer om met mijn man en vier vrienden een escape room te gaan doen. Dat wordt nog een fijne rest van het weekend. De bus glijdt net als gisteren soepel door het land. Ik glimlach terug als twee zeer kerkelijk uitziende oudjes ons met een zwierig armgebaar voorlaten op de rotonde.

27 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

MODEL