Zoeken
  • tomdicke

TOT HET EINDE

Na een aantal dagen van regen is het nu een stuk mooier weer. Het waait wel stevig, maar de zon schijnt ook en het is niet koud. Zoals zo vaak wandel ik een uurtje na het avondeten, mijn vaste rondje, alleen nu eens een keertje andersom. Dus eerst onderlangs de geluidswal, dan de snelweg over en achter de meubelboulevard langs. Van de week zag ik al dat daar volop bramen staan, bij wijze van toetje eet ik er ook nu een paar. Op de parkeerplaats staat een halfvergaan fietsaanhangertje met een hond erin, die trouwhartig naar me kijkt.


Hierna komt een stuk dat altijd een beetje saai is. Een lange weg op een dijk met aan de linkerkant autodealers en aan de rechterkant allerlei kleine en grotere bedrijven. Je moet hier over het fietspad lopen, iets anders is er niet. Een goede plek om er even flink de pas in te zetten, zometeen zijn er weer bomen en ander groen. Ongeveer halverwege ligt er iets op het fietspad. Een zwart iets. Het lijkt vanuit de verte een stuk rubber, een kapot gescheurd stuk fietsband of zo. Pas als ik dichtbij zie ik dat het dat helemaal niet is. Er ligt een kauwtje op het fietspad, op z’n rug, ongetwijfeld tegen een vrachtauto aangebotst, die rijden hier voortdurend. “Ach, wat verdrietig”, denk ik, “arme dode vogel”.


Maar dan zie ik het pas. Hij is niet dood. Hij ademt nog, snel en oppervlakkig.


Ik was niet gestopt met lopen, en ben er inmiddels voorbij. Mijn hart gaat uit naar het gewonde dier, maar ook mijn hoofd draait op volle toeren. Moet ik iets doen? Het ziet er niet naar uit dat hij er weer bovenop komt. Ik weet dat ik niet in staat ben een dier uit zijn lijden te verlossen. Hoe zou ik dat moeten doen? Een grote steen op z’n hoofd? Het beestje de nek omdraaien? Ik kán dat niet. En ik wil het niet. Ik ben al tien meter verder, twintig meter. Dertig. Dan ineens krijg ik een helder inzicht: blijf bij een stervende en geef het beste wat je kan. Ook al is het een vogel. Terug.


Dus ik ga op de stenen rand zitten die het fietspad scheidt van de rijbaan. En ik praat tegen de vogel, zacht en troostend. Het maakt niet uit wat ik zeg, hij kan de woorden niet begrijpen, maar misschien, heel misschien, heeft hij wel iets aan de rustige klank van mijn stem. Hij ademt nog steeds snel, z’n beide poten van de grond, z’n kopje juist helemaal tegen het asfalt. Z’n snavel is open, hij hijgt, je kunt de zwarte tong zien. Het ene oog dat naar boven gericht is houdt hij half dicht, alleen zo af en toe doet hij het even helemaal open, alsof hij me aankijkt. “He”, zeg ik “word maar rustig. Het duurt vast niet zo lang”.


Zo af en toe komen er fietsers aan. Als ze nog een eindje weg zijn zie je aan hun houding dat ze niet snappen wat die snuiter op het fietspad staat te doen, waarom gaat hij niet opzij? Als ze dichtbij zijn en de vogel zien daagt er begrip op het gezicht. Soms hoor ik dat er enkele woorden gewisseld worden zodra ze voorbij zijn. “Oh! Papa, zag je dat?” hoor ik bijvoorbeeld, en het antwoord: “Ja, die is waarschijnlijk…”. De rest verwaait in de verte. Ik blijf waar ik ben, m’n aandacht zo veel mogelijk bij de vogel.


Na een minuut of tien wordt zijn adem rustiger. Het lijkt of het misschien toch beter met hem gaat. Hij spert zijn ogen een paar keer open, probeert zijn kop te bewegen, z’n borst gaat steeds minder op en neer. Dan gebeurt er iets prachtigs. Er komen geen fietsers, geen auto’s, geen trucks, minutenlang niet. En de vogel spreidt zijn vleugels, liggend op zijn rug. Een keer, twee keer, drie, vier keer zelfs. Steeds een beetje verder. Zou het toch lukken? Ik praat niet meer tegen hem. Ik zing:


om tryambakham yajamahe

sugandhim pushti vardhanam

urvarukam iva bandhanat

mrityor mukshiyam amritat


Maar het is niet het op krachten komen van een herstellende. Het is de oerkracht van de allerlaatste wil. Het oog blijft tien seconden helemaal open, en voor een vijfde keer spreidt hij de vleugels, met onvermoede kracht, zo wijd alsof hij vliegt. Z’n poten en kop hebben echter helemaal niet bewogen, en na die laatste inspanning krimpt hij langzaam in elkaar. De borst blijft stil, de vleugels zakken in, als een luchtmatras waar de stop uit is gehaald.


om namah shivaya

om namah shivaya


zeg ik, en herhaal het een tijdje. Ik heb geleerd dat van alle zintuigen het gehoor nog het langst overblijft wanneer iemand sterft. Of dat zo is weet ik niet, maar ik blijf het nog een poosje zeggen, al beweegt de vogel nu helemaal niet meer. Het oog is dichtgegaan.


Ik zwijg, verdrietig. Ik heb meer ogen voor het laatst dicht zien gaan. Ook toen heb ik gepraat, en diep in mezelf gezongen. De woorden zijn duizenden jaren oud, en gaan over Shiva, de energie, of god zo je wil, die gaat over het beëindigen, het vernieuwen, het transformeren. Ik weet niet of er nu iets gebeurt, of er een ziel opstijgt, een reis naar de hemel wordt gemaakt. Maar ook als er niets gebeurt denk ik dat de laatste momenten van de vogel zo misschien wat aangenamer waren.


Uiteindelijk wordt het tijd om verder te gaan. Ik kan het niet aanzien om hem zo op het fietspad te laten liggen, straks rijdt er nog iemand overheen. Ik raap een kapotte kwarkbeker op en een lege zak Tikkels, en daarmee schep ik de dode vogel voorzichtig op. Aan de overkant van de dijk groeit hoog gras, daar leg ik hem neer, voorzichtig, zodat de kop in het gras rust en de vleugels min of meer ordelijk langs het lijfje liggen. Tot slot pluk ik wat van de wilde bloemen die hier overal staan en leg ze over het lijkje heen. Zo ligt hij goed.


Ik loop door. Nu komen de tranen pas echt. Onvermijdelijk komen opnieuw de gedachten aan mijn ouders boven. De stille kamer, het handen vasthouden, de laatste woorden, en de vreemde momenten daarna, de ogenblikken waarin het leven verglijdt. Het stoppen met ademen. Het achterlaten. Het achterblijven. Dat zijn geen dingen waar je vaak aan denkt, of waar je graag aan wil denken, maar eenmaal meegemaakt laat zoiets zich uiteraard niet meer vergeten. En zelfs die intens verdrietige momenten horen erbij. Je kunt er maar beter naar kijken. Tot het einde.


Verderop, waar de Simon de Danserweg over de A16 gaat, blijf ik opnieuw staan. Er zit een vlinder op de weg, een atalanta. Ik wil een foto van hem maken, en verwacht dat hij wel weg zal vliegen als ik dichtbij kom. Toch niet, hij laat me rustig mijn gang gaan. Sterker nog, hij zit een beetje te wiebelen, maar hoe dichtbij ik ook kom, hij doet niks. Zelfs als ik mijn vinger tegen z’n voorpootjes aan houd gebeurt er niets. Dat is bijzonder. Ik kan de vlinder gewoon op mijn vinger laten zitten. En ik verplaats hem een stukje, ook hij kan anders zomaar overreden worden. Ik zet hem op een blad, waar hij ogenblikkelijk heel grappig vanaf kukelt. Gelukkig lijkt het met de vlinder beter te gaan dan met de vogel, want hij krabbelt op eigen kracht weer op.


29/07/2021

6 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Ik fiets door de avond. Het is een vrije dag na een prachtig maar druk weekend, vandaag kon ik lekker op het balkon zitten en een boek lezen. Heerlijk was dat. Nu rijd ik over de Amstelwijckweg, aan w

Gisteravond kreeg ik ineens zin in friet. Dat heb ik niet zo vaak, en we hebben toch een beetje een allegaartje aan restjes te eten, dus het kan er wel bij. In onze wijk zit één friettent, een klein v