top of page
Zoeken
  • tomdicke

WEIZIGT

Ik loop van Wielwijk naar het station van Dordrecht. Op de Waldeck Pyrmontweg kom ik langs twee bakvissen, veertien jaar. Hun air is stoer maar de onzekerheid snijdt er dwars doorheen. De ene kijkt mij vanuit haar ooghoeken aan, de ander praat op eisende toon in haar telefoon, die op luidspreker staat:

- He, kom hierheen dan! * …nee, nou niet, het komt niet uit weet je… - Oh maar hoezo kom je niet dan? Zijn er soms mensen die je niet mag of zo, in mijn vriendenkring?

Verderop rijden drie Turkse meisjes van een jaar of tien: twee op een fiets en een op zo’n step die je moet bedienen door je voeten op en neer te bewegen. Daar vang ik het volgende gesprek op:

- Melda! * Melda is weg! - Lok haar hiernaartoe dan! * Nee, zij is weg. - Oh oke.

Er komen, zoals Drs. P dat zo mooi kan zeggen, “werktuigelijk gedachten bij mij op”. Ik moet denken aan de jaren dat ik op school zat. In zekere zin waren ze onbezorgd en ik had het goed, maar ik wist nooit echt wat ik met de wereld aan moest. Nou, beter gezegd, met de wereld snapte ik het wel, maar andere mensen, dáármee wist je het maar nooit. En kinderen al helemaal niet. Volwassenen, daar kon je nog redelijk mee praten, als ze je tenminste als gelijke behandelden. Al snapten ze er ook niet alles van, daar kwam ik algauw achter: toen ik in groep zes tegen meester Chris een zin begon met “Ja hoor, daar heb ik over nagedacht, en ik heb beredeneerd dat…” moest hij lachen. Vreemd.

Kinderen hadden zo hun eigen manieren om duidelijk te maken dat ik een beetje anders was. Dat varieerde van negeren (dat vond ik prima) via mij voor spek en bonen aan iets mee laten doen (daar begreep ik niks van) tot plagen of pesten. Dat kon op allerlei manieren, die naarmate ik ouder werd steeds creatiever werden. Ik mocht bijvoorbeeld ineens een keer wél meedoen met voetbal op het plein, maar na twee minuten werd ik er zonder opgaaf van reden met een “rode kaart” uitgestuurd. Of toen ik in groep 7 zat: Martin, een jongen uit groep 8 die ik niet echt kende, kwam op me af en knoopte een gesprek met me aan, en net toen ik begon te denken “oh, aardige jongen eigenlijk” vroeg hij of ik soms verliefd op Linda was. Toen ik in mijn naïviteit ‘ja’ zei liep hij meteen weg en riep het tegen de hele school.

Ik was ook een makkelijk doelwit. Naïef dus, slim met leren maar niet slim met sociale interactie. Dromerig, maar intolerant als het ging om veranderingen. Als ik meedeed met een of ander spel in de pauze, en een van de andere kinderen deed iets wat ‘niet mocht’ volgens ‘de regels’ dan kon ik daar niet mee omgaan. Communicatie was wat mij betreft altijd eenduidig. Je zei iets en dat viel samen met wat je bedoelde; ironie, ‘bij wijze van spreken’ en sarcasme waren nog niet echt aan me besteed. Mijn oprechtheid botste vaak tegen andere mensen aan omdat ik niet kon voorspellen wat de gevolgen konden zijn van een trotse mededeling als ‘Natuurlijk heb ik een goed rapport, ik heb bijna alleen maar g'tjes. En jij?’ Ik meende het, zonder wat voor kwade bijbedoelingen dan ook. Pas ontzettend veel later kwam ik erachter waarom mensen mij op de middelbare school voor arrogant versleten. Dat was ik waarschijnlijk inderdaad, maar per ongeluk.

Inmiddels heb ik de onhandigheden van toen grotendeels laten vallen, of weten om te zetten in taal, voorzichtigheid en openheid. Doordat mijn leeftijd steeds dichter kwam te liggen bij die van de mensen met wie ik altijd al goed kon communiceren bloeide ik op, en eenmaal op het conservatorium en uit de kast was de ban gebroken. Ik hoefde me niet meer voortdurend te verantwoorden naar anderen - dat hoefde al nooit, maar als je het niet deed raakte je helemáál in een sociaal isolement en daar was ik niet sterk genoeg voor. Als ik de gesprekken van die meisjes op straat hoor ben ik weer even dichtbij die benauwde wereld waarin je voortdurend bezig was je sociale positie veilig te stellen. Het raakt mij niet meer, maar ik besefte wel weer dat veel kinderen die machtsstrijd voortdurend met elkaar leveren.

Op de Nassauweg glijden de grijzige gedachten weer van me af. Er staat een reiger stokstijf langs de vijver. Ik moet denken aan Stefan en William, een tweeling, die altijd gewonde dieren vonden en mee naar school namen om voor te zorgen. Aan de sponsorloop, eindeloos rondjes om die vijver rennen voor een luttel bedragje. Aan de keer dat ik zei dat ik een woord met alle letters van het alfabet wist, en toen juf Bep vroeg wat dat dan was “abcdefghijklmnopqrstuvwxyz” als woord uitsprak. Aan Richard en Linda, mijn twee vrienden met wie ik alle pauzes doorbracht en gekke varianten op tikkertje bedacht (Egyptisch tikkertje, zandbaktikkertje etc.). Aan de keer dat de meester zei dat sommige mensen meer dan één naam hebben, soms twee en heel soms wel drie. Ik stak mijn vinger op en zei: “Maar wij hebben zelfs iemand in de klas met víer namen.” “Oh ja?” “Dennis van de Hoek!”

Dan kom ik langs de plek waar de Weizigtschool vroeger stond. Het gebouw is een paar jaar geleden afgebroken, en vervangen door Prokino, Uw Montessori Kindcentrum vanaf 0 jaar (ik wou dat het verzonnen was). Aan de Johan Willem Frisostraat is nog steeds een speelplein, met klimtoestellen en alles wat erbij hoort. De gymzaal is weg, net als de grote geurende jasmijnstruiken. Ook het naastgelegen politiebureau is er niet meer, er is een wooncomplex verrezen. Wel spelen er nog steeds overal kinderen, op het plein en in de straten.

Wat ook niet veranderd is, is de boom op de foto, in het Weizigtpark. Al zolang ik hem ken steunt hij op zijn twee stokken.


(juni 2016)

- - - - - - - - -

Naschrift 24/02/2018: Van de week fietste ik langs het park en zag dat hij er niet meer staat, die boom. Beschadigd en uit balans geraakt tijdens een storm, en weggehaald. Vaarwel makker!

26 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

PLOF

Comments


Post: Blog2_Post
bottom of page